maandag 02 juni 2008

Diversen.

Papegaaien en angst

Nederlandse samenvatting door Emmy Flaman

van ‘Parrots and Fear van Liz Wilson en Andrew U. Luescher’

Verschenen in ‘Manual of Parrot Behavior’

 

Angst is een kritiek punt bij papegaaien, in het bijzonder als het erom gaat een vertrouwensrelatie
met de vogel op te bouwen.

Angst vormt ook een hoofdoorzaak van stress bij huiskamervogels. Papegaaien zijn namelijk kleine
prooidieren en mensen grote roofdieren.

Angst kan door een eindeloze hoeveelheid dingen worden veroorzaakt waarbij veel van die dingen
door de mens als niet beangstigend worden beschouwd. Om deze reden raken mensen geïrriteerd
naar de vogel in plaats van geduldig en geruststellend te handelen. Wij geloven namelijk dat de
vogel op deze manier wel over zijn angst heen zal komen. Deze tactiek kan de angst van de vogel
echter exponentieel doen toenemen. Afhankelijk van de stimulus zullen wij de omgeving moeten
aanpassen of de vogel geleidelijk desensitiseren voor de stimulus.

Papegaaien en parkieten (Psittacines) hebben de neiging neofobisch te zijn, wat verklaarbaar is
aangezien papegaaien langer in het wild zullen overleven als ze nieuwe dingen extreem voorzichtig
benaderen.

Op angst gebaseerde agressie

Angst uit zich in de basis ‘fight or flight’ respons. Papegaaien zullen bij een waargenomen dreiging
instinctief handelen door te proberen weg te vliegen. Lukt dit niet doordat ze gekortwiekt zijn
en/of in de kooi zitten blijft het alternatief (fight) over en zal de vogel agressief reageren, wat zich
vaak zal manifesteren in bijten. Deze situatie zal verergeren als de mens hier agressief op reageert.
Dit roept bij de vogel namelijk nog meer angst en dus agressie op. Bestudeer in plaats daarvan de
situatie en zoek naar technieken om de vogel geleidelijk te desensitiseren op de angststimulus of
vermijdt de situatie helemaal.

Een onvoldoende gesocialiseerde vogel kan bang zijn van vreemden en deze bijten. Verzeker zo’n
vogel ervan dat anderen veilig zijn. Breng ze op neutraal terrein in contact met nieuwe mensen en
wees daarbij geduldig. Leer ze dat andere mensen leuk en interessant zijn door ze daarbij op te
laten stappen en direct weer bij jezelf op te laten stappen. Beloon ze voor goed gedrag zodat ze de
link gaan leggen tussen nieuwe mensen en de beloning die daarbij hoort.

Fobische papegaaien

Een fobie wordt gedefinieerd als ongegronde of onredelijke ontzetting of angst. Het is logisch dat
een wilde papegaai bang is van een roofdier maar als een in huis grootgebrachte papegaai zonder
voorafgaand incident plotseling angstig op mensen, geluiden of schaduwen gaat reageren kan er
van fobisch worden gesproken. Het omgaan met een fobische of neurotisch angstige papegaai kan enorm ergerlijk zijn.

Papegaaien gedragsdeskundigen worden in toenemende mate geconsulteerd over fobische vogels.
Dit kan duiden op een toename van dit verschijnsel, toegenomen herkenning van het probleem of
een toename in het gebruik van deze terminologie. Het woord fobisch wordt helaas nogal eens verward met angst. Een echt fobische papegaai is niet
alleen maar bang van nieuwe speeltjes of mensen. Ondanks het feit dat zo’n vogel door mensen is
grootgebracht reageert ie als een wilde papegaai op de komst van een dodelijk roofdier. Een
fobische papegaai is hyperreactief op direct oogcontact, wat vaak tot een paniekaanval leidt. Een
fobische vogel reageert hyperreactief op geluid, beweging en in het bijzonder op mensenhanden.

Een fobische papegaai heeft een onzichtbare lijn rond zijn territorium waarbinnen hij zich veilig
voelt. Wordt deze lijn overschreden reageert de vogel daarop met de flight-respons met als gevolg
gebroken bloedpennen of erger.

Er bestaan diverse gradaties van fobisch gedrag. Over het algemeen zijn agressieve vogels niet
fobisch. Agressie en vermijding zijn twee mogelijke reacties op een stimulus. Een vogel die in
gevaar verkeert kan vluchten of vechten en aangezien een fobische papegaai behoorlijk angstig is
zal deze altijd proberen te vluchten.

Fobische gedragingen komen onder sommige soorten vaker voor: Poicephalus en Senegal
papegaaien; kleine kaketoes zoals de rosé kaketoe, geelkuif kaketoe en Triton kaketoe;
edelpapegaaien en grijze roodstaarten (in het bijzonder de Kongo). Het is niet verbazingwekkend
dat deze soorten ook gevoelig zijn voor gedragingen waarbij ze hun veren vernielen.

 

Fobisch gedrag wordt vaker waargenomen onder jonge of jongvolwassen papegaaien. Toch moet er
een onderscheid gemaakt worden naar een jongvolwassen vogel die normaal ‘puberaal’ gedrag
vertoont en een fobische vogel.

Er bestaan een hoop theorieën over de oorzaken van fobisch gedrag. Fobisch gedrag zal bij
onrustige soorten toenemen als pasgeborenen in te veel licht worden gehouden (bijvoorbeeld
onder neonverlichting in een aquarium bij een dierenwinkel). Pasgeboren papegaaien en parkieten
nemen ook sneller in gewicht toe als ze in het donker worden gehouden.

Deze overmatige blootstelling aan licht van erg jonge vogels legt dus de basis voor gedragingen die
op angst zijn gebaseerd. Linden suggereert om geen fluorescerend licht te gebruiken bij fobische
vogels in verband met de toegenomen gevoeligheid wat betreft het zicht van vogels.

Het grootbrengen van jonge papegaaien in een omgeving waarbij ze weinig in handen worden
genomen leidt ook tot overdreven emotionele reacties op latere leeftijd.

Lichamelijk en psychologisch misbruik zoals het traumatisch vangen kunnen de oorzaak van
fobisch gedrag zijn. Ethologen beweren dat een agressieve behandeling of straf niet de enige reden
kan zijn om fobisch gedrag te gaan vertonen. De meeste fobische papegaaien kennen namelijk geen
geschiedenis van misbruik.

Klassiek conditioneren en de angstrespons

Vogels kunnen leren door het koppelen van neutrale en onplezierige stimuli. Een voorbeeld
hiervan is de associatie van de hand van de eigenaar met de slechte smaak van medicijnen die in de
vogels keel zijn gestopt. Klassiek conditioneren (Pavlov) zorgt er hierbij voor dat de voormalig
neutrale stimulus aversief ervaren wordt en een angstreactie oproept.

Eigenaren van onrustige vogels moeten leren te ontspannen alvorens hun dieren te benaderen.
Bewegingen moeten weloverwogen en kalm zijn zodat ze de angst van de vogel niet vergroten.
Eigenaren die hyper zijn verergeren een moeilijke situatie dikwijls waarbij een reeds bezorgde vogel
in een complete fobische staat geraakt. Dit is in het bijzonder het geval in dramatisch
beangstigende situaties, zoals natuurrampen en een bezoek aan de dierenarts.

In dat soort gevallen raakt de papegaai fobisch van de eigenaar waarbij het vermoeden bestaat dat
de angstige vogel zijn angst in die situatie aan de eigenaar heeft gekoppeld. Wanneer papegaaien
getraumatiseerd zijn hebben mensen de neiging op de papegaai af te rennen en deze gerust te
stellen, waarbij ze zich hysterisch druk maken over de veiligheid van de vogel. Het resultaat is dat
de vogel nog meer onder de indruk raakt van de bezorgdheid van de eigenaar en zijn eigen angst
aan de eigenaar koppelt en dus fobisch van zijn eigenaar raakt.

Bezoek aan de dierenarts: advies aan de eigenaar

Veel papegaaien en parkieten, in het bijzonder jonge vogels, reageren erg negatief op een bezoek
aan de dierenarts. Het is belangrijk dat een eigenaar beseft dat ze de situatie slechts verergeren als
ze zich verontrust gedragen bij noodzakelijke procedures. Het resultaat is dat ze daarbij niet alleen
hun vogel angst aanjagen maar ook serieuze schade aanbrengen aan de band met de vogel. Veel
dierenartsen stellen dan ook voor de noodzakelijke onderzoeken zonder de aanwezigheid van de
eigenaar uit te voeren. Als eigenaren er perse bij willen zijn moeten ze erop gewezen worden hun
dieren niet te gaan aaien als deze onder spanning staan aangezien ze dan behoorlijk gebeten
kunnen worden. De eigenaar moet de vogel ook niet vertellen dat alles oké is aangezien het
volgens de vogel niet oké is om onder spanning te staan. Stel de vogel alleen gerust in díe gevallen
die intimiderend maar niet gevaarlijk zijn (zoals wanneer er bijvoorbeeld iets groots door de
woonkamer wordt gedragen). Als deze geruststelling namelijk gebruikt wordt wanneer de papegaai
onder spanning verkeert loop je het risico de kracht van de geruststelling te ontkennen omdat de
zin geassocieerd gaat worden met een vervelende gebeurtenis.

Om elke connectie tussen de eigenaar en een traumatisch bezoek aan de dierenarts te voorkomen,
dienen vogels die behoorlijk van slag zijn direct in hun carrier terug gezet te worden en niet op de
arm van hun eigenaar. Zo kan de eigenaar de vogel verbaal geruststellen zonder lichamelijk
contact. Bij thuiskomst moet de eigenaar de carrier openen en weglopen waarbij hij doorgaat met
het geruststellen van de vogel met een zachte stem waarbij de vogel zelf de carrier uit kan klimmen.
Vervolgens moet de vogel verbaal gerustgesteld blijven worden en door de eigenaar van een afstand
geobserveerd. Benader de vogel pas als je zijn lichaamstaal ziet ontspannen.

Operant conditioneren en de angstrespons

Een angstreactie kan geconditioneerd worden door vermijding te conditioneren of door negatieve
bekrachtiging. Dit is in het bijzonder het geval als de eigenaar zich terugtrekt (als de eigenaar de
bedreiging vormt) of als deze de vogel van de bedreigende situatie weghaalt of de vogel een
schuilplaats verschaft. De verwijdering van de bedreigende stimulus vormt namelijk de
bekrachtiger van de angstrespons. Gedrag dat op deze wijze geconditioneerd wordt wordt erg
betrouwbaar en is moeilijk uit te doven.

Vogels kunnen ook leren angst te vertonen in situaties waarbij ze niet bang zijn maar geleerd
hebben de situatie te manipuleren of controleren. Als ze bijvoorbeeld vluchten voor een mens laat
deze de vogel meestal met rust om verwondingen bij de vogel te voorkomen. Op deze manier heeft
de vogel weten te voorkomen opgepakt te worden en terug te worden gezet in zijn kooi. Het laten
zien van een angstrespons kan dus een duidelijke manifestatie zijn van een weigering om te
interacteren.

Aan de andere kant leren vogels zelden een angstreactie te laten zien door positieve bekrachtiging.
Daarom is het erg onwaarschijnlijk dat bij het geven van iets lekkers aan een bange vogel er
conditionering optreedt. Dit mag dus altijd en de vogel zal het gevaar aan iets plezierigs koppelen.

Het is belangrijk om zorgvuldig te bestuderen in welke mate leren bijdraagt aan het vertonen van
angstgedrag. Het maken van video-opnamen kan hierbij erg nuttig zijn omdat de vogel dan in zijn
eigen omgeving kan blijven en zijn lichaamstaal in deze omgeving bekeken kan worden. Het is
onmogelijk de mate van angst vast te stellen in een voor de vogel vreemde omgeving zoals bij een
dierenarts. Angstgedrag kan ook enorm veranderen als er een vreemde de vertrouwde omgeving
binnenkomt.

Als voorbeeld wordt een kaketoe genoemd die fobisch op handen reageert. Deze vogel pakt lekkers
uit de hand aan maar rent weg als hem wordt gevraagd op te stappen. Deze intelligente vogel heeft
geleerd dat mensen hierbij niet doorzetten als hij bang reageert waarbij ie dus kan doen waar ie zin
in heeft. Met deze vogel werd buiten zijn territorium gewerkt waarbij gebruik werd gemaakt van
positieve bekrachtiging om de vogel te overtuigen dat het opvolgen van commando’s iets goeds is.

Angstreacties kunnen ook worden vergroot door leren als de angstopwekkende stimulus er een van
korte duur is of als de vogel aan de situatie kan ontsnappen. In deze gevallen blijkt de vluchtreactie
succesvol te zijn voor de vogel. Angstreacties die op deze manier geconditioneerd zijn zijn veelal
blijvend en moeilijk te doorbreken.

Rehabilitatie van de fobische of neurotisch angstige papegaai

Rehabilitatie van fobische vogels kan een pijnlijk traag proces zijn, maar fobici kunnen geholpen
worden, met ervaring en extreem veel geduld. Verkeerde interpretatie en mishandelen van vogels
met extreme angst kunnen angstaanjagend gedrag en gek gedrag bekrachtigen. Het gebruik van
anxiolytische medicatie wordt vaak voorgeschreven om het proces te versnellen en de angst op een
niveau te brengen waarbij de vogel in staat is te leren. De eigenaar moet daarbij een manier zien te vinden om de vogel de medicijnen op een niet-traumatische manier toe te dienen, want anders zal
de toediening ervan de angst doen toenemen.

De eerste stap op weg naar rehabilitatie is opnieuw een vertrouwensband op te bouwen. Blanchard
doet daarbij de suggestie dat de eigenaar dagelijks met een stoel voor de kooi van de vogel gaat
zitten, op een dusdanige afstand waarbij er bij de vogel geen angst optreedt. Lees daarbij iets rustig
voor of zing voor de vogel, dit brengt vaak een positieve reactie bij de fobische vogel teweeg.

Deze procedure maakt gebruik van het verschijnsel ‘habituatie’ ofwel gewenning waarbij een dier
zal stoppen op een neutrale stimulus (een stimulus die geen positieve of negatieve consequenties
inhoudt) te reageren als deze daaraan langdurig wordt blootgesteld. Hierbij moet geen direct
oogcontact met de vogel gemaakt worden maar af en toe moet er even vluchtig naar de vogel
gekeken worden. Blanchard noemt dit ‘soft eyes’ waarbij de eigenaar erg kort naar de vogel kijkt en
zijn ogen en hoofd vervolgens wegdraait waarbij het wegkijken een negatieve bekrachtiger voor het
relaxed zijn wordt. Geleidelijk gaat de eigenaar dichterbij de kooi zitten en langer naar de vogel
kijken. Deze procedure wordt systematische desensitisatie genoemd. Beloningen in de vorm van
iets lekkers werken goed, tenzij de papegaai te gestrest is om iets lekkers aan te nemen. Je kunt de
papegaai ook zijn lievelingsvoer in zijn kooi geven gedurende deze sessies. Op die manier wordt de
tijd die de eigenaar naast de kooi zit geassocieerd met iets zeer plezierigs (counterconditioneren).

Fobici raken vaak bang door te fel licht en voelen zich vaak beter bij wat zwakker licht. Krijgt de
vogel onvoldoende donkere periodes op een dag zou deze voor de nacht in een andere kooi in het
donker in een rustige kamer weggezet kunnen worden. Angstige papegaaien raken ook makkelijk
gealarmeerd door geluiden maar zachte muziek stelt ze vaak meer gerust dan totale stilte.

Bij een fobische vogel kan men zijn zelfvertrouwen opbouwen door zijn vleugelpennen te laten
groeien. In sommige gevallen waarbij de angstige vogel wel kan vliegen kan het kortwieken echter
noodzakelijk zijn.

Rehabilitatie brengt ook met zich mee dat we de vogel laten kiezen wanneer en hoe deze wenst te
interacteren. Het forceren ervan maakt de situatie alleen maar erger. De vogel moet dit op zijn
eigen tempo kunnen doen en moet daarbij niet opgehaast worden.

Omdat de rehabilitatie van een fobische vogel een traag proces kan zijn, wordt eigenaren
aangeraden een dagelijks dagboek bij te houden. Door het gedetailleerd beschrijven van de
tekenen van angst bij de vogel en het opschrijven van minuscule vooruitgang zijn eigenaren beter
in staat te zien dat er vooruitgang is, ook al is deze maar zeer klein.

Aangeleerde angst kan afgeleerd worden, hoewel dit bij vogels veel meer tijd in beslag neemt dan
bij bijvoorbeeld honden. De behandeling van angst kan worden ingezet door systematische
desensitisatie, counterconditioneren of responsvervanging. Het gebruik van anxiolytische
medicatie als aanvulling op de gedragsmodificatie techniek kan nuttig of zelfs noodzakelijk zijn.

Systematische desensitisatie

Deze techniek wordt gebruikt om een respons (angst of agressie) op een stimulus te verminderen of
te elimineren. Het dier wordt daarbij in rust getraind, bijvoorbeeld op een T-standaard of de hand van de eigenaar. De stimulus wordt daarbij op een lage intensiteit geïntroduceerd en het dier
wordt beloond voor rustig gedrag. Zodra het dier aan de stimulus op lage intensiteit gewend is zal
de intensiteit geleidelijk verhoogd worden en wordt de procedure herhaald. De toename in
stimulusintensiteit moet zo klein zijn dat er nooit angst bij de vogel wordt opgewekt.

Hoewel het kunnen vliegen het zelfvertrouwen van een vogel kan doen toenemen kan het noodzakelijk zijn de vogel tenminste tijdelijk te knippen om hem op die manier te desensitiseren
voor een beangstigende stimulus waarbij zelfbelonend vluchtgedrag voorkomen kan worden.Systematische desensitisatie kan alleen worden gebruikt als de stimulus geïdentificeerd en
gereproduceerd kan worden maar ook de intensiteit gecontroleerd kan worden. De stimulus dient
vermeden te worden totdat gedragsmodificatie bereikt is.

Als niet aan deze voorwaarden voldaan kan worden kan desensitisatie met behulp van medicatie
zinvol zijn. Hierbij wordt een anxiolytisch medicijn toegediend met een dosering waarbij de vogel
normaal en zonder angst kan functioneren. De dosering wordt hierbij geleidelijk verminderd (net
als bij het geleidelijk toe laten nemen van de intensiteit van de angstopwekkende stimulus). De
vogel dient de stimulus gedurende de therapie dus wel om zich heen te hebben. Als de afbouw van
de medicatie geleidelijk genoeg plaatsvindt zal de vogel er nooit bang van worden en van de
medicatie afkomen.

Counterconditioneren (in klassiek conditioneren)

Bij deze therapie wordt de betekenis van een voorafgaand geconditioneerde stimulus veranderd.
Angstgedrag (de voorheen geconditioneerde respons op de stimulus) wordt daarbij vervangen door
een plezierige emotionele respons.

Bijvoorbeeld het geluid van de stofzuiger, dat voorheen angst opriep, wordt nu geassocieerd met
eten. Respons substitutie (wordt vaak onterecht counterconditioneren genoemd) Hierbij wordt de betekenis van een angstopwekkende situatie veranderd. De betekenis van de
discriminerende stimulus wordt daarbij veranderd.

Het doel is ongewenst gedrag in een situatie vervangen door gewenst gedrag. Dit wordt bereikt
door het controleren van ongewenste gebeurtenissen waardoor ongewenst gedrag niet langer
succesvol is en waarbij gewenst gedrag beloond wordt.

De situatie waarin het ongewenste gedrag normaal gesproken voorkwam wordt een
discriminerende stimulus voor gewenst gedrag. Het gewenste gedrag moet onverenigbaar zijn met
het ongewenste gedrag (bijvoorbeeld opstappen in plaats van bijten).

Respons substitutie wordt vaak samen met desensitisatie gebruikt (het trainen van rust in plaats
van angst of agressief gedrag, waarbij de vogel aan stimuli die in intensiteit toenemen wordt
blootgesteld).

Training

Clicker training is een andere manier om het zelfvertrouwen van de vogel te doen toenemen maar
ook de angst (in het bijzonder van de eigenaar) doen afnemen. Het kan zonder gebruik te maken
van handen op een afstand worden uitgevoerd op een niet bedreigende manier. Clicker training
zorgt voor consistent en dus voorspelbaar stressvrije interactie tussen vogel en eigenaar. Het zorgt
voor efficiënte communicatie tussen vogel en eigenaar en verschaft de papegaai de mogelijkheid
zijn omgeving te voorspellen en te controleren, waardoor zijn zelfvertrouwen en welzijn zullen
toenemen. De meeste vogels houden ervan op die manier getraind te worden. Het enige probleem
kan zijn hoe lekkers aan een angstige vogel te geven.

Voorkomen

De methodes die gebruikt worden om een papegaai/parkiet zich tot zijn volle vermogen als
huisdier te laten ontwikkelen zijn dezelfde als die gebruikt worden om de ontwikkeling van
onrustige of fobische persoonlijkheden te voorkomen. De ontwikkeling van deze vaardigheden
begint al jong bij de kweker en gaat over op de nieuwe eigenaar.

Deze technieken houden het volgende in:  
Het voeden van zelfvertrouwen en individueel potentieel gedurende de vroege
ontwikkeling  
Normaal grootbrengen en dan zonodig geleidelijk knippen voor de verkoop (progressive
wing clip methode). Dit vergroot het zelfvertrouwen van een jonge vogel.

Overvloedig voeren en geleidelijk weanen gebaseerd op de ontwikkeling van de vogel, niet
op het gemak van de mens

Het verschaffen van duidelijke en consistente gedragsrichtlijnen bij de nieuwe eigenaar

Het aanmoedigen van onafhankelijkheid door zelf te spelen

Conclusie

Angstige papegaaien moeten leren dat ze veilig zijn en de mensen om zich heen kunnen
vertrouwen dat ze hen veiligheid blijven verschaffen. Alleen met oneindig geduld kunnen
pathologisch angstige papegaaien gerehabiliteerd worden, een angstige vogel pushen zal de situatie
exponentieel doen verergeren. Een belangrijke functie van een dierenarts hierbij is de eigenaar van
de neurotisch angstige vogel steunen op zijn lange weg terug naar een vertrouwensrelatie met zijn
vogel.

 

 

De invloed van de kweekmethode op het gedrag van de vogel


Bron: ‘The influence of the breeding method on the behaviour of adult African grey parrots, Prof. Dr. A. Steiger und PD Dr. M. G. Doherr, vorgelegt von Rachel Schmid (2004) 

 

Vertaling van de algemene discussie, de conclusies en de samenvatting, door E.J. Flaman

 

In de studie gedroegen de met de hand grootgebrachte vogels zich veel agressiever naar mensen dan de papegaaien die niet op deze wijze zijn grootgebracht. Volgens hun eigenaar vielen zij mensen in het bijzonder aan om hun dominantie te tonen en uit jaloezie. dsc_0529.jpgDaarnaast waren zij veel selectiever naar mensen dan de vogels die op een natuurlijke manier waren grootgebracht. Ze waren ook meer geneigd tot onvolwassen gedrag (smeken) en gedroegen zich onhandig. De met de hand grootgebrachte papegaaien die plukgedrag vertoonden kauwden eerder op hun veren dan dat ze ze plukten. Aan de andere kant neigden de niet plukkers onder de met de hand grootgebrachte vogels tot het overdreven of juist te weinig schoonmaken en gladstrijken van de veren met hun snavel. De meeste van deze resultaten zouden te wijten kunnen zijn aan de inprenting op mensen of aan het gebrek aan socialisatie met soortgenoten gedurende hun jeugd.

 

De in het wild gevangen papegaaien vertoonden meer plukgedrag dan de in gevangenschap grootgebrachte. In tegenstelling tot de met de hand grootgebrachte, plukken de wildgevangen vogels hun veren in plaats van erop te kauwen. Ze bijten zelden maar als ze bijten wordt dit gedrag door hun eigenaren geïnterpreteerd als angst. Ze ontwikkelen vaak agressie naar een specifieke sekse (over het algemeen naar mannen). Daarnaast hadden de wildvang papegaaien vaak bezorgdheid ontwikkeld en verkeerden ten tijde van het bezoek in slechte gezondheid. Deze observaties zijn allemaal gerelateerd aan de aanzienlijke stress die de vogels hebben doorstaan gedurende hun vangst, transport en quarantaine. Sommige resultaten kunnen ook te wijten zijn aan de antibioticabehandeling in quarantaine.

 

harry_en_truusje.jpgDe door de ouders grootgebrachte vogels verkeerden over het algemeen in een erg goede gezondheidsconditie. Het was echter erg moeilijk om conclusies over ze te trekken aangezien hun groep uit een klein aantal vogels bestond. Toch leken de door de ouders grootgebrachte vogels goed gebalanceerd gedrag te vertonen en waren zij minder ‘vatbaar’ voor probleemgedrag naar de eigenaar. Net als de wildvang vogels plukten de plukkers onder hen hun veren in plaats van erop te kauwen, ze vertoonden zelden bijtgedrag maar als zij beten werd dit door hun eigenaren geïnterpreteerd als angst. Zij vertoonden niet de neiging angstgedrag te ontwikkelen zoals hun wildvang soortgenoten.

 

De invloed van de methoden van handopfok op het gedrag van de vogels

 

De kuikens die hooguit twee weken in het nest bij de ouders hadden doorgebracht waren minder seksueel actief op volwassen leeftijd en hadden meer moeite met het leiden van een normaal seksueel leven met een andere papegaai. De papegaaien die minder dan vijf weken bij hun ouders in het nest hadden doorgebracht voordat ze werden uitgehaald voor de handopfok vertoonden meer stereotype bewegingen op volwassen leeftijd dan de met de hand grootgebrachte kuikens die langer bij hun ouders waren gebleven. De papegaaien die uit het nest waren gehaald op het moment dat hun belangrijkste veren begonnen te groeien (op een leeftijd van 6 weken) waren geneigd hun veren te plukken op volwassen leeftijd. Deze verklaringen laten zien dat hoe langer de kuikens door hun ouders gevoed worden (tenminste vijf weken maar liever nog 8 weken) hoe minder consequenties handopfok op de ontwikkeling en het gedrag van de vogels heeft. Daarnaast imiteerden de papegaaien die minder dan vijf weken in het nest bij hun ouders hadden doorgebracht menselijke woorden en zinnen wat beter dan de andere papegaaien. Deze vogels neigden er ook naar hun veren vaker te plukken dan erop te kauwen in geval van plukgedrag.

 

De kuikens die met een buisje (direct in de krop) handgevoerd zijn werden agressiever, vielen mensen aan door op ze in te vliegen, gilden vaker, waren angstig op het moment van aankoop en verkeerden in een veel slechtere gezondheidstoestand dan de papegaaien die op een van de andere manieren waren gevoerd (met een lepel, pipet of met een spuitje zonder naald). De kuikens die met een lepel waren gevoerd waren bijzonder tam bij aankoop. Het voeren met een buisje is waarschijnlijk onplezierig en stressvoller voor de vogel dan het voeren met een lepel, spuitje of pipet. Daarnaast is het ook een veel onhygiënischer methode aangezien de buisjes maar moeilijk goed te reinigen zijn.

 

De papegaaien die met de hand waren grootgebracht in afzondering van andere vogels vertoonden als volwassenen vaker de neiging te bedelen, meer selectief naar mensen te zijn en ze waren minder geneigd normaal seksueel gedrag te vertonen met andere papegaaien. 14-20-11-04_truusje.jpgDaarnaast gedroegen de papegaaien die in close contact met mensen waren geweest gedurende het moment van handopfok zich minder seksueel normaal met andere papegaaien en kozen mensen over het algemeen als hun partner, vergeleken met vogels die minimaal contact met mensen hadden gehad in die periode. Deze observaties zijn te wijten aan het feit dat deze papegaaien meer ingeprent zijn op mensen en ze daarom als seksuele partner beschouwen. Daarnaast weerhoudt hun gebrek aan socialisatie met soortgenoten hen ervan door de normale ontwikkelingsstadia te gaan en raken ze aangemoedigd onvolwassen gedragspatronen te vertonen ondanks hun seksuele rijpheid.

 

De kuikens die aangekocht zijn voordat ze onafhankelijk waren en gespeend zijn bij hun eigenaar neigen naar het te vaak of juist te weinig gladstrijken en schoonmaken van hun veren. Hoewel ze minder geneigd zijn hun veren te plukken dan de papegaaien die bij de kweker gespeend zijn was het stadium van veren plukken over het algemeen slechter in deze groep. Daarnaast ontwikkelden de kuikens die bij de eigenaar gespeend zijn vaker agressief gedrag naar specifieke objecten wat ook getriggerd kan zijn door het voeren met de lepel. De speenperiode van deze papegaaien neigde ook langer te duren.

 

Opvoedmethodes: conclusie

 

De resultaten bevestigen dat de kweekmethode een duidelijke invloed heeft op het gedrag van grijze roodstaarten. Het trauma wat de wildvangvogels hebben moeten verdragen is aanzienlijk. Deze stress heeft behoorlijk langdurende consequenties op het gedrag van deze intelligente en gevoelige vogels. Aangezien genoeg grijze roodstaarten in gevangenschap kunnen worden gekweekt is het vangen ervan niet nodig en kan om die reden niet meer gerechtvaardigd worden. Met de hand grootgebrachte papegaaien neigen problematischer voor hun eigenaren te worden dan degenen die door hun ouders zijn grootgebracht of wildvang papegaaien. Niettemin, sommige methoden om kuikens met de hand groot te brengen hebben minder consequenties op het volwassen gedrag van de vogels, zoals het voeren met een lepel, pipet of spuit, lang bij de ouders in het nest blijven en weinig sociaal contact met mensen gedurende de handopfok. Deze methoden zouden daarom meer moeten worden toegepast. Daarnaast moeten de kuikens altijd met andere papegaaien worden gehouden gedurende de handopfok, zo mogelijk behorend tot dezelfde soort. Zodra ze uitgevlogen zijn is het van het allergrootste belang dat de jonge papegaaien met soortgenoten in volières worden gehouden (zowel onvolwassen als volwassen vogels) gedurende een aantal weken zodat ze alle soortspecifieke gedragspatronen kunnen leren.

 

13-11-04_harrytruusje_en_kareltje.jpgDe inprenting en de eerste sociale interacties van grijze roodstaarten zijn cruciaal voor de normale ontwikkeling van hun gedrag en mogen daarom niet onderschat worden. Door de ouders grootgebrachte papegaaien kunnen heel tam worden hoewel enig geduld is vereist om het vertrouwen van de papegaai te winnen. Dit zijn over het algemeen evenwichtige vogels die alle specifieke gedragspatronen hebben geleerd die wilde papegaaiensoorten vertonen. Daarnaast verschaft deze methode de ouders de gelegenheid hun kuikens op een natuurlijke manier groot te brengen wat absoluut een aanzienlijk voordeel voor hun welzijn inhoudt. Op de lange termijn voorkomt het door de ouders grootbrengen van de kuikens de broedparen van het verliezen van hun vermogen hun kuikens op een natuurlijke manier groot te brengen. Het verliezen van dit vermogen zou een dramatische consequentie kunnen zijn van het systematisch met de hand grootbrengen van kuikens.

 

De invloed van andere factoren zoals huisvesting, zorg, klimaat, sekse, leeftijd en sociaal contact op het gedrag van papegaaien

 

In aanvulling op een toename van stereotiepe bewegingen in met de hand grootgebrachte papegaaien die minder dan vijf weken in het nest bij de ouders verbleven werden deze abnormale bewegingen in het bijzonder waargenomen onder papegaaien die in constant contact met de eigenaren kwamen of met gezinsleden en bij vogels die gehuisvest zijn in een bewoonde kamer. Daarnaast ontwikkelden papegaaien die alleen gehouden worden en vogels die niemand als partner beschouwden (en daarom sociaal gedepriveerd zijn) vaker stereotype gedragingen. Verdere zaken die dit veroorzaken zijn een ongeschikte benadering van de papegaai (nerveuze eigenaar of luidruchtig gedrag), het bedekken van de vogelkooi als reactie op ongewenst gedrag of als routine elke nacht, en geen respect hebben voor de stemmingen van de papegaai en de individuele afstand. Maar ook een gebrek aan complexiteit in de omgeving van de vogel zoals een kleine kooi met fabrieksmatig gefabriceerde stokken en vogels zonder speelgoed in of buiten de kooi.

 

Repetitieve gewoonten lijken door sommige papegaaien gebruikt te worden om hun frustratie te uiten. De aanwezigheid van veel speelgoed buiten de kooi die door de papegaai wel gezien wordt maar waar ze niet bij kunnen lijkt zulk gedrag te triggeren. Geknipte veren, die vogels niet in staat stellen te ontsnappen door weg te vliegen, hoewel dit hun meest natuurlijke reactie is als ze zich bedreigd voelen, veroorzaakten de ontwikkeling van zulke abnormale bewegingen (in het bijzonder onder de door de ouders grootgebrachte kuikens). Daarnaast neigden de getrainde papegaaien en de vogels waarvan de eigenaren ongeschikt reageerden zulke gewoonten vaker te ontwikkelen.

 

In aanvulling op de toegenomen agressiviteit onder de met de hand grootgebrachte papegaaien, in het bijzonder de papegaaien die met het buisje gevoerd zijn, werd agressie vaker gezien onder papegaaien waarvan de eigenaar een ongeschikte benadering naar ze had evenals een ongeschikte reactie (zoals het bedekken van hun kooi) op ongewenst gedrag. Papegaaien tussen de 4 en 7 jaar die mensen als hun partner hadden gekozen of geen partner hadden waren in het bijzonder agressief naar mensen. Verder was er maar weinig stimulatie nodig in de omgeving van de vogels en een onjuist nacht-dag ratio om de agressiviteit te doen toenemen.

 

Ongerustheid werd vaak waargenomen onder de wildvang papegaaien. Bovendien spelen een gebrek aan complexiteit en veranderingen in de omgeving van de papegaai, zoals geen bodembedekking of slechts papier op de bodem van de kooi, zeldzame veranderingen in de kooi of het alleen houden van vogels die de mens als partner zien een rol in de ontwikkeling van ongerustheid. Verdere oorzaken die tot ongerustheid bij de papegaai leiden zijn situaties die door de papegaai als stressvol worden gezien of die een gevoel van onveiligheid triggeren zoals het laag in de kooi plaatsen van de stokken, ongeschikte reacties van de eigenaar op ongewenst gedrag van de vogel, het bedekken van de kooi als een reactie op ongewenst gedrag of als een routine elke nacht, en de constante aanwezigheid van familie.

 

Het overdreven slaken van doordringende kreten werd het meest waargenomen onder poppen en onder papegaaien die de mens als vervangende partner zien. Maar ook factoren die tot verveling leiden zoals geen bodembedekking en geen speelgoed in de kooi. Verdere factoren die tot deze kreten leiden zijn de motivatie van de respons van de vogel op bepaalde stimuli, zoals de locatie van de kooi nabij een raam of een bewoonde kamer met constant contact met de eigenaar, maar ook buiten de kooi geplaatste stokken. Een ongeschikte benadering van de eigenaar op de vogel leidde tot de ontwikkeling van dit soort kreten.

 

Een erg hoog percentage wildvang papegaaien plukten hun veren. Aangezien het plukken van veren door talrijke stimuli veroorzaakt kan worden hadden slechts de meeste van deze factoren maar een lichte invloed op het gedrag van de vogel en maar een paar een significant effect. De papegaaien die naast een raam waren gehuisvest en die geen bodembedekking in de kooi hadden plukten hun veren vaker. Aan de andere kant plukten de vogels die in een erg vochtige omgeving (meer dan 60%) werden gehouden hun veren veel minder dan de andere vogels.

 

De methode waarop de veren geplukt worden lijkt gerelateerd te zijn aan de kweekmethoden van de papegaai (de met de hand grootgebrachte vogels neigen meer naar het kauwen op hun veren dan naar het plukken ervan) maar ook aan andere factoren. Papegaaien waarvan de kooi iedere nacht bedekt werd plukten hun veren eerder dan dat ze erop kauwden. Aan de andere kant kauwden de papegaaien die in een droge omgeving gehuisvest waren en de vogels die zelden de gelegenheid hadden een bad te nemen vaker op hun veren.

 

Exclusief onder de met de hand gekweekte papegaaien werd het te veel verzorgen of juist te weinig verzorgen van hun verenkleed waargenomen. Sommige omgevingsfactoren lijken aan dit gedrag bij te dragen zoals het zelden in de gelegenheid zijn een bad te nemen, een ongeschikt dag-nacht ratio en een dagelijkse blootstelling aan de zon. Daarnaast speelde sociale frustratie een rol. Een ongeschikte benadering naar de vogels, geen respect hebben voor de stemming van de papegaai en individuele afstand, zich te zelden buiten hun kooi of buitenshuis bevinden leidde tot het te veel of juist te weinig verzorgen van hun verenpak onder de met de hand grootgebrachte vogels.

 

Onvolwassen gedrag (smeken) werd in het bijzonder waargenomen onder de met de hand grootgebrachte vogels. De papegaaien die de mens als hun partner beschouwen en die voedsel kregen uit de mond van hun eigenaar (van mond tot snavel), net als de vogels waarvantruusje.jpg de eigenaar de meeste tijd beschikbaar was vertoonden dat gedrag erg vaak.

 

Verschillende stimulerende factoren in de omgeving van de vogels, zoals het glanzende draadwerk van sommige kooien, een heldere omgeving, de kooi net naast het raam geplaatst of kooien die iedere dag op het balkon gezet worden en de aanwezigheid van speelgoed in de kooi verhoogde de seksuele activiteit van de papegaaien. Voortplantingspogingen op de schoenen of handen van de eigenaar waren het resultaat van een te hechte relatie met de eigenaar en kleine kooien. Vogels die in een bewoonde kamer leven en waarvan de kooien bij het raam staan en een hechte relatie met de eigenaar hebben gaven hun voedsel vaker op voor hun eigenaar.

 

Zorg en huisvesting: conclusie

 

De resultaten laten zien dat grijze roodstaarten erg gevoelige vogels zijn en de manier waarop ze zich gedragen makkelijk beïnvloed kan worden door hun omgeving maar ook door de zorg die aan ze besteed wordt en de huisvesting. Zowel het sociale contact met andere vogels als de relatie met de eigenaar spelen een overheersende rol in het welzijn en gedrag van de vogel. Het belang van hun sociale behoeften mag daarvoor nooit onderschat worden.

 

De meeste gedragsstoornissen kunnen voorkomen worden door de vogels in paren in volières met voldoende bezigheid te huisvesten. Bovendien is het begrijpen van het gedrag en lichaamstaal van de vogel erg belangrijk om op die manier respect voor hun individuele afstand op te brengen en het kan op een succesvolle wijze voorkomen dat de eigenaren bange of agressieve reacties bij de vogels triggeren. Het is dus essentieel voor het welzijn van de papegaai om de factoren die van invloed zijn op het gedrag van de vogel in overweging te nemen en deze te optimaliseren.

 

Samenvatting

 

Het doel van deze studie was de gedragsverschillen tussen met de hand opgevoede, door de ouders grootgebrachte en wildvang grijze roodstaarten te bestuderen. Bovendien werden de met de hand grootgebrachte papegaaien verdeeld in verschillende categorieën om de invloed van de verschillende methoden van handopfok op het gedrag van de vogels te kunnen onderzoeken.

 

Een vragenlijst bestaande uit 138 multiple choise vragen over de kweekmethode, zorg, huisvesting, gezondheid, afkomst, vorige eigenaren, gedrag en sociale interacties werd bij de eigenaren van de 105 grijze roodstaarten thuis ingevuld; de papegaaien moesten ten minste 3 jaar oud zijn en hun afkomst moest bekend zijn. In aanvulling daarop werden 61 vragen beantwoord aan de hand van observatie van de vogels. De kwekers werden ook benaderd en aan hen werden 11 vragen gesteld over de gebruikte methode van handopfok.

 

De resultaten werden statistisch geanalyseerd met behulp van de Chi-kwadraat toets en de Fischer Exact toets. De resultaten waren gebaseerd op de antwoorden die de eigenaren op de vragen gaven. Veel complexe gedragspatronen (agressiviteit of selectief gedrag) werden geëvalueerd met behulp van een sleutel waarbij verschillende criteria in aanmerking werden genomen. Alle subjectieve antwoorden werden gecheckt en bijgesteld met gebruikmaking van verschillende objectieve componenten.

 

§        De met de hand grootgebrachte papegaaien gedroegen zich agressiever en selectiever naar mensen dan de door hun ouders grootgebrachte exemplaren. De met de hand grootgebrachte vogels die plukgedrag vertoonden kauwden eerder op hun veren dan ze te plukken. De vogels die niet plukten verzorgden hun verenpak juist overdreven of te weinig. Bovendien waren de met de hand grootgebrachte vogels onhandiger en bedelden vaker om voedsel dan de papegaaien die niet met de hand waren grootgebracht.

§        De met de hand grootgebrachte kuikens die op een leeftijd jonger dan 5 weken uit het nest waren gehaald ontwikkelden vaker stereotiepe gedragingen dan de kuikens die langer bij hun ouders waren gebleven.

§        De kuikens die gevoerd waren met buisjes waren agressiever, gaven vaker doordringende kreten en waren in slechtere conditie dan de vogels die met de spuit, een pipet of de lepel gevoerd waren.

§        De vogels die slechts minimaal contact met mensen hadden gehad gedurende de handopfok waren beter in staat een normaal seksueel leven te leiden met een andere papegaai dan de papegaaien die met mensen in contact waren geweest gedurende de periode van handopfok.

§        De kuikens die voor de speentijd waren verkocht verzorgden hun verenkleed overdreven of juist te weinig en maakten een langere speentijd door dan de kuikens die bij de kweker waren gespeend.

§        De wildvang papegaaien plukten hun veren vaker, waren in slechtere gezondheid en ontwikkelden vaker bezorgdheid dan de door de ouders of met de hand grootgebrachte vogels.

§        Veel observaties betreffende de invloed van andere factoren (zoals zorg en huisvesting) op het gedrag van de vogels werden ook gedaan.

 

Deze studie laat ons concluderen dat de kweekmethode een duidelijke invloed op het gedrag van grijze roodstaarten heeft. Met de hand opgevoede papegaaien neigen meer problematisch gedrag te vertonen dan door de ouders grootgebrachte en wildvang vogels. Niettemin hebben sommige methoden van handopfok minder consequenties op het volwassen gedrag van de vogel, zoals het voeren met de lepel, een lang verblijf in het nest met de ouders en minder sociaal contact met mensen gedurende handopfok. Deze methoden zouden daarom vaker moeten worden toegepast. Het inprenten en de eerste sociale interacties van grijze roodstaarten zijn cruciaal voor een normale ontwikkeling van hun gedrag en mogen daarom niet onderschat worden.

 

Papegaaien worden vaak systematisch met de hand grootgebracht om aan de vraag naar huisdieren te voldoen. De (te weinig) door de ouders grootgebrachte vogels worden over het algemeen voor het kweken gebruikt hoewel ook deze vogels erg tam kunnen worden en over het algemeen minder problematisch gedrag vertonen dan de met de hand grootgebrachte vogels. De import van wildvang grijze roodstaarten is nog steeds legaal in Zwitserland hoewel er genoeg vogels in het land zelf gekweekt kunnen worden.

 

Grijze roodstaarten ontwikkelen vaak gedragsproblemen in gevangenschap aangezien het erg gevoelige, sociale en intelligente wilde dieren zijn. Hun sociale en omgevingsbehoeften worden zelden volledig bevredigd. Het is essentieel je beter te verdiepen in het complexe gedrag en de specifieke behoeften van papegaaien aangezien de interesse in papegaaien aan het groeien is evenals hun aandeel in de handel ervan.
  truusje_en_harry.jpg

 
Contact | Home